Columns

  

Kater

Ik noem hem Eddie, de man die de pakketten komt afleveren waar boeken in zitten. Op zijn auto staat Eddie de Rijk en daar komt het Eddie vandaan. Hij heet niet zo, maar ik streef ernaar de wereld overzichtelijk te houden.
Meestal komt Eddie met boeken aanzetten waar ik part noch deel aan heb. In die gevallen ontvang ik hem met een blije blik. ‘Ha, Eddie, heb je weer wat voor me.’ Dan tikt hij tegen het pak: ‘Boeken zeker?’
‘Ben ik weer een poosje onder de pannen. Dank je.’
Soms komt Eddie met een pak waarin boeken zitten die ik zelf heb geschreven, deze week met Voortvluchtig, de vijfde of zesde Meeksroman, elke keer als ik wil weten hoeveel Meeksen ik heb bedacht moet ik tellen en dat ergert me dan zo dat ik daar geen zin in heb.
Voortvluchtig is de beste Meeks, maar toch voelde ik geen spoor van vreugde. Dat overkomt me elke keer als ik voor het eerst zie wat er is gekomen van maanden hard werken, en het gevoel wordt steeds sterker.
Het heeft iets van een kater, en ook van: is dat het nou?
Je weet dat het dat is, maar je denkt het toch.
Is dat het nou?
Ik heb wel eens met een collega gesproken over het gevoel, maar hij herkende het niet. Als zijn nieuwste er is springt hij een gaatje in de lucht en belt hij een restaurant: ‘We komen eraan, tafel bij het raam graag.’
Ik krijg de kater als ik de doos openmaak, de boeken pak en ze, altijd hetzelfde, op de tafel leg in twee stapels van tien.
Twintig Voortvluchtigs. Twintig mooie omslagen. Twintig keer 300 pagina’s vol letters die nooit eerder door iemand in die volgorde zijn gezet.
Nou, en.
Eigenlijk moet ik er tegen niemand iets over zeggen, want ik weet dat de reacties zullen variëren van: ‘Wees toch blij’, tot: ‘Jij bent hartstikke gek.’
Dat moet mijn redactrice van Cargo ook hebben gedacht. Ze belde met dat blije in de stem dat mensen hebben bij een mooie boodschap.
‘Ik heb je nieuwe boek.’
‘Ik heb er twintig.’
‘Hoe vind je ze?’
‘Prachtig.’
‘Waarom klink je dan zoals je klinkt?’
Ik wist het precies, maar ik zei dat ik geen idee had. (september 2010)

 

Bibliotheekboeken

Toen ik jong was en nog aanvallen had van romantiek stonden op mijn prioriteitenlijstje: boekwinkeltje, huisje in Frankrijk.
Aan de verkleinwoorden kunt u zien dat het niets zou worden.
Gelukkig maar.
Het huisje in Frankrijk werd afgevoerd toen de USA in beeld kwam. Dat was het land waar ik me thuis voelde en waardoor een onderkomen in Frankrijk een boze droom werd.
‘Naar welk deel van Amerika gaan we volgende maand?’
‘Geen enkel deel. We gaan naar ons huis in Frankrijk. Het dak moet worden gerepareerd, het gras staat vast een meter hoog, de waterleiding zal van de winter wel weer gesprongen zijn en alles moet worden gelucht, ontschimmeld en geverfd.’
Amerika heeft me dat soort van ellende bespaard, alleen daarom al hou ik van dat land.
Het boekwinkeltje ging niet door omdat ik op tijd verstand kreeg. En inzag dat het niet zo goed zou gaan met boeken als het CPNB elk jaar voorspelde.
Je zult een winkel hebben vol met prachtige, nieuwe uitgaven en zien dat je klanten zich een slag in het rond grabbelen in de weggeefbakken van Albert Heijn, Action en bouwmarkten.
Als ze daar niet terecht kunnen dan gaan ze wel naar de bibliotheken, de kampioenkillers van de boekwinkels.
Gistermiddag schafte ik in de bibliotheek in Enschede tien boeken aan voor 5 euro. Ik zal een paar titels noemen om u te laten zien dat het geen rotzooi was dat werd uitgevent: Transit van Hella Haasse, Een aanzienlijke vertraging van Anton Koolhaas, Eclips van Bernlef, De verloren spiegel van Sagan, Een Abessijnse woestijnkat van Leon de Winter, Dubbelster van Gerrit Komrij.
Gemiddelde prijs 50 cent en allemaal in goede staat, geen idee waarom ze de deur uit moesten.
Daar ga je dan met je mooie boekwinkel en je goeie bedoelingen. Het is een waar wonder dat de eigenaars van die winkels niet af en toe, bij wijze van verzetje, een bibliotheek in de fik steken. Dat zou pas boekverbranding met een hoger doel zijn.

De voorgaande zin is een mooie afsluiting van een column, ik weet het. Maar ik ben misdaadschrijver en ik keer nu met liefde even terug naar mijn leest. Ik kocht ook (voor 30 cent) Pulp van Charles Bukowski, jaren geleden een van mijn helden.
Pulp was Bukowski’s uitstapje naar het misdaadgenre. Hij beleefde er zichtbaar plezier aan, maar wilde toch wel even duidelijk maken dat hij zich alleen maar bij wijze van verzetje had verlaagd tot het thrillergenre.
Op pagina 5 staat: Opgedragen aan B-literatuur. (augustus 2010)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Luxemburg

De Maand van het spannende boek is voorbij en wij, misdaadschrijvers, tellen de buit.
Hoeveel duizenden boeken hebben we de afgelopen maand extra verkocht?
Die reis naar Hawaii, kan die er af, of stomen we ook nog voor een maandje door naar Australië?
Wat nou. Hoezo viel het tegen. Drie dagen Ardennen als we er iets van ons vakantiegeld bijleggen?
Maar alles zou toch goedkomen als we een spetterend feest hadden rond de uitreiking van de Gouden Strop, gevolgd door een maand waarin iedere inwoner van dit land met bruikbare ogen zich zou storten op de stapels thrillers naast de kassa’s?
Die misdaadboeken lagen er wel, van schrijvers uit het buitenland, met een accent op Scandinavië.
En ik maar denken dat juni voor ons was. Eigen schrijvers eerst. Dat was toch de bedoeling van de collega’s die zich 20 jaar geleden uit de naad hebben gewerkt om eerst een Gouden Strop en daarna een Maand te krijgen?
Of zijn de initiatieven ons uit handen geslagen door een organisatie die het geen fluit kan schelen wat er wordt verkocht, als er maar wordt verkocht. Scandinaviërs, Amerikanen, Britten, een Italiaan, het maakt niet uit: omzet is omzet.
Een tijdje geleden hoorde ik dat er misdaadschrijvers zijn van wie hooguit 500 boeken worden verkocht.
Vijfhonderd.
Zou het niet aardig zijn als daar eens wat aandacht voor komt? Bijvoorbeeld op de grote misdaadboekenavond die we voor de gelegenheid Powertje of Plots zullen noemen? Om te horen wat mensen drijft om maanden te schrijven voor een totaal honorarium van (ik doe een gok) 800 euro bruto. En waarom er uitgevers (goede, betrokken uitgevers) zijn die die boeken op de markt blijven brengen.
Die Scandinaviërs verkopen wel en de Amerikanen komen de winters ook wel zonder honger door. Wij moeten terug naar de basis. En als er zonodig een thema moet komen waar, bij gebrek aan fantasie, geografie voor nodig is, dan niet Scandinavië, maar Groningen. En het jaar erna Friesland. Hebben we 12 jaren voor de boeg waarin niemand een origineel idee hoeft te krijgen.
Ja, maar, dan hebben we toch over 13 jaar een probleem?
Dat is inderdaad het geval en daarom zal het wel bij het buitenland blijven. Volgend jaar Schotland dan maar, en daarna Portugal.
Het jaar 2033 gaat fascinerend worden. Daarin is Luxemburg aan de beurt; daar schijnt ook iemand te wonen die schrijft. (juli 2010)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Scandinavië

Of ik naar de Power of Plots ging vroeg een collega wiens boeken ik zeer waardeer en die ten onrechte niet is genomineerd voor de Gouden Strop.
Nee, heb ik geantwoord, ik ga niet.
Ik heb helemaal niets met Scandinavië en ik begin een bloedhekel te krijgen aan thema’s. Alles heeft een thema. Boekenweken hebben thema’s, boekenavonden, boekendagen, zonder thema kom je er niet meer vandaagdedag, gek word ik van die gemakzucht.
Kom jongens, laten we een thema bedenken, dan flansen we daar wat omheen en dan zijn we klaar.
Gebruik toch je fantasie. Ga bij elkaar zitten, wees creatief en bedenk wat moois. Over Nederlandse misdaadliteratuur, bijvoorbeeld, want die hoort centraal te staan, daar hebben we de Maand van de Spannende Boek voor bedacht.
Scandinavië.
Het zal wel weer aan mij liggen en ik ga misschien, waarschijnlijk, weer eens veel te hard op uw tenen staan, maar vormen Scandinaviërs niet een beetje een overschat volkje?
Na Sjöwall en Wahlöö is er niets meer vandaan gekomen wat de moeite waard was. Nou, niets, niet overdrijven, ietsje toch wel, een paar schrijvers. Een páár.
En wagonladingen ellende en drank. Iedereen in scheiding en dan liefst met ruzie, iedereen een dochter die het bloed onder je nagels vandaan haalt, iedereen een baas die niet deugt en een buurman, en dan ook nog dat klotenweer, elke bladzij opnieuw.
Daar moeten wij dan zo nodig een avond van maken.
Als begin van een Scandinaviëmaand? Omdat er nog ergens op een plank stapels boeken liggen die aan de man moeten worden gebracht van de 362ste Zweed die alle treurigheden des levens achter elkaar heeft gepend?
Het gaat een lange, droevige junimaand worden. (mei 2010)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Typemachine

Ik heb mijn typemachine weggedaan, het moest er een keer van komen. De Underwood met toetsen die zo zwaar gingen dat je er beter met een hamer op kon tikken dan met je vingers stond steeds meer grijs verleden te worden in een hoekje van mijn werkkamer. Ik heb er mijn eerste boek op getikt. Het is nooit uitgegeven, maar ik heb er, als tienjarige, wel typen door geleerd. En een beetje boek is het eigenlijk toch wel geworden. Mijn vader naaide alle typevellen keurig aan elkaar met groen draad (hij had net even geen zwart draad meer) en deed er een kartonnen kaft om waarop ik later een tekening maakte. Mooi boek, één exemplaar, gesigneerd door de schrijver. De titel ben ik vergeten. Het was iets heel allitererends. ‘Vreemde vakantieverwikkeling van vier vrienden,’ dat staat me bij, maar ik weet zeker dat er nog een woord met een v in zat. Verre vrienden? Vreemde vrienden? Geen vette vrienden, hoop ik.
Ik heb de typemachine mee gehad naar Frankrijk waar ik een jaar heb gewoond en stukjes maakte voor een blad dat Pep heette.
Ik heb er mijn eerste misdaadroman op gemaakt: Dietz, uitgegeven door Spectrum en, toen ik in Amerika verbleef, door de jury van De Gouden Strop voorzien van een nominatie waar ik geen moer aan heb gehad omdat ik onbereikbaar was voor de journalisten die een interview wilden.
De typemachine is weg omdat ik de ruimte nodig heb voor de beschaving die steeds maar voortschrijdt, en soms te snel.
Op de plaats waar de Underwood stond liggen nu de prints van mailtjes die ik krijg over E-books, niet E-boeken, omdat Nederlands niet mag. Het aantal mailtjes loopt snel op, want iedereen bemoeit zich nu ineens met die gemaksboeken waar je geen papier meer voor nodig hebt. E-books zijn de toekomst.
Hoera.
Als het aanslaat zullen eerst alle boekwinkels verdwijnen, en daarna de boekenkasten.
Heeft iemand daar eigenlijk al eens bij stilgestaan? Al die huizen waar geen boek meer in is te vinden, met kale muren en bijzettafeltje waarop alleen het omroepblad ligt?
Als u over tien jaar spijt hebt van de onstuimige ontwikkeling op boekengebied en de aanblik van al die mooie, veelkleurige boekenruggen mist dan komt u maar langs, mag u even genieten. Ik heb dertig jaar gewacht met het verwijderen van de typemachine en ik ben van plan om de papieren boeken te koesteren tot ver na mijn dood. (april 2010)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Wouter

Een vreemde eend in schrijversland is Wouter Noordewier. Ik had nooit van hem gehoord, maar ik heb zijn naam gegoogled en hij heeft gepubliceerd. Volgens Google dus. Ik ken een Belg die al zijn heldendaden als schrijver uit zijn duim zuigt, maar Noordewier is een Nederlander, en Nederlanders doen niet zo flauw.
Hij schrijft brieven, Wouter Noordewier. Aan mij en, naar ik aanneem, ook aan andere schrijvers. Ik heb nooit een collega over hem horen praten, maar dat komt nog wel. Als Wouter maar lang genoeg doorgaat.
Ik heb drie brieven van hem liggen, alledrie exact hetzelfde, je zou dus kunnen zeggen dat schrijver Wouter Noordewier niet houdt van verandering, hij moet de ideale man zijn voor een lange serie: alle boeken hetzelfde, alleen de namen zijn anders. (Ik denk nu even aan wijlen Dick Francis, ik zeg het maar om te voorkomen dat u gaat denken aan ....; laat maar).
De eerste zin van de brieven is een echte binnenkomer: ‘Mag de held van mijn Roman-Die-Maar-Niet-Afkomt (oorspronkelijk bedoeld om alléén zinnen te bevatten die niet van mij waren) met een van Uw vrouwelijke personages neuken?’
Waarom vraagt die man dat? Durft hij niet zonder toestemming? Is hij bang dat een van mijn vrouwelijke personages van de pagina stapt en hem net voor het neuken bijt waar het pijn doet?
Willem Frederik Hermans heeft beweerd dat een schrijver die leestekens plaatst waar ze niet nodig zijn (alléén) geen goede schrijver kan zijn en hij had gelijk. Ik voeg er aan toe dat ik ook niet veel zie in een schrijver die hoofdletters zet waar ze niet horen (Roman-Die..., Uw).
‘U weet misschien intuïtief welk onuitwisbaar figuurtje ik bedoel?’
Nee, Wouter, ik heb geen idee.
‘Ik beloof U haar voornaam te respecteren, en haar, eventueel, als kleine erkenning van Uw auteurschap, Uw achternaam te geven, goed?’
Nee, Wouter, niet goed.
Stel je voor dat je naam bekend wordt door de Roman-Die-Maar-Niet-Afkomt, maar die helaas toch af is gekomen, van Wouter Noordewier.
Dan ben je als schrijver toch echt wel mislukt. (februari 2010)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Slechte dag

De beste cabaretier van dit land is Jeroen van Merwijk. Daar gaan we niet over in discussie, dat stel ik vast. Wie twijfelt gaat maar een keer naar een voorstelling of luistert naar het prachtige lied dat speciaal voor schrijvers moet zijn gemaakt: Ik leef van taal.
Maar ook de beste cabaretier kan een keer een slechte dag hebben.
Die dag kwam in Hengelo, meer dan een jaar geleden.
De tekst was uitstekend, de liedjes waren schitterend, maar toch. Op een of andere manier kwam het niet over. Er hing iets mats over de voorstelling.
Het zat me niet lekker en maanden later (in Enschede zijn we soms een beetje langzaam) kreeg ik een herkansing omdat Van Merwijk in de nieuwe schouwburg stond.
Laat u niet misleiden door het woord nieuw. De schouwburg is nieuw, maar ze hebben kans gezien er een uitermate beroerde kleine zaal in te bouwen. Halverwege de voorstelling donderden tientallen plastic bekers op de vloer omdat er zo nodig een bar in de zaal geplaatst moest worden.
Maar toch: prachtige voorstelling.
Ik dacht dat Van Merwijk onderdelen had gewijzigd, maar hij verzekerde me dat dit niet het geval was: van a tot z hetzelfde als in Hengelo.
Hij kon zich niet herinneren dat er in Hengelo iets niet helemaal goed was gegaan. Hij kon zich, was mijn indruk, heel Hengelo nauwelijks herinneren.
Dagen later zag ik het licht en wist ik hoe het zat.
Van Merwijk had in Hengelo helemaal geen slechte dag gehad, het was mijn slechte dag geweest. Dat kan ook: dat je als toeschouwer een off day hebt en daar de uitvoerenden de schuld van geeft.
Trek dat eens door naar boeken. Ik zal beginnen.
Ik was een liefhebber van de boeken van Robert B. Parker, maar tien jaar geleden had ik er genoeg van. Te veel van hetzelfde. Dacht ik toen. Vorig jaar ben ik ze gaan herlezen ... en heb alles wat ik miste bijgekocht.
Wat een heldere, franjeloze stijl heeft die man ontwikkeld. Oké, hij zeurt te veel over honden en hij maakt te veel reclame voor psychiaters, maar na elk boek denk ik: die man beheerst het vak.
Had ik tien jaar geleden een serie slechte dagen?
Sinds mijn ervaring met de optredens van Jeroen van Merwijk hou ik er rekening mee.
Ik heb in het verleden honderden recensies gemaakt, over films en over boeken. Ik heb daar enkele dikke vrienden aan overgehouden: bij het idee dat ze misschien ooit mijn bloed kunnen drinken gaan ze al smakken. Nooit heb ik gedacht dat ik bij het lezen misschien soms last had van een slechte dag en ik durf te wedden dat er weinig recensenten zijn die dat wel hebben gedaan. Waardoor er stukjes in de krant zijn gekomen die een beetje mat waren. Met zinnen die net iets anders overkwamen dan de recensenten hadden bedoeld. Waardoor lezers de indruk kregen dat er meer mis was met het boek dan er mis was.
Dankzij Van Merwijk (en dit stukje; geen dank hoor, graag gedaan) zullen alle recensenten aan zelfreflectie gaan doen en zullen hun recensies helderder, dus beter, worden.
Mocht u gewoon lezer zijn, probeer dan nog eens een boek van een schrijver die u in het verleden hebt afgekeurd. Voor u het weet zit u te genieten. (januari 2010)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Woord en foto

Iedere schrijver krijgt er mee te maken: het Interview, gevolgd door: de Foto.
Met dat interview komt het bij vrijwel iedereen wel goed. Wij, schrijvers, leven van taal en blijkbaar is het zo dat wie veel woorden schrijft ze ook nogal makkelijk uit de mond laat vallen. Ik ken in elk geval heel weinig collega’s die in zak en as zitten als ze een journalist tegenover zich hebben, meestal is de woordenstrooom niet gering; bij mij helaas vaak iets te overvloedig, maar daar heb ik het een andere keer wel over.
Risicovoller dan het Woord is de Foto.
Met de Foto gaat nog wel eens iets mis, vooral bij collega’s die niet vaak zijn benaderd door een fotograaf die houdt van korte opdrachten: kin iets naar links, hoofd ietsje omhoog, mondhoeken niet laten zakken, beetje lachen graag, bril een beetje hoger, bril een beetje lager, bril een beetje naar rechts, bril een beetje schuin; wanneer u de laatste verzoeken hoort hebt u overigens te maken met iemand die zijn vak niet verstaat en geen idee heeft hoe hij de flits uit de brillenglazen krijgt.
Soms, en nu wordt het serieus, komt er een fotograaf die ‘het anders wil’.
Mijn advies: stuur hem weg. Hij heeft ideeën waar u niets mee te maken wilt hebben en als u zo onverstandig bent om te doen wat hij zegt dan zal u een gevoel van diepe gêne overvallen als u het resultaat ziet.
Om u een idee te geven van wat ik bedoel verwijs ik u naar de zaterdagbijlage van De Volkskrant. Daarin staan stukjes van een mevrouw die zich sinds zeer kort collega mag noemen en die erg door een fotograaf te pakken is genomen.
Ze heet Hanna Bervoets en in de bijlage van 28 november kijkt ze zo verschrikkelijk guitig dat ik niet in staat ben een woord van haar verhaal tot me te nemen.
De Foto beneemt me het Woord, zal ik maar zeggen.
Als u het nog erger wilt zien schaf dan een Dagblad Tubantia aan die op donderdag verschijnt en waarin een bijlage zit die ‘Uit’ heet. Op pagina 3 staat tekst van een cabaretière die, naar ik hoop, ergens heel beroemd is. Misschien kent u zelfs haar naam: Nathalie Baartman.
Bijna elke week zie ik een andere foto en elke week denk ik: zou die fotograaf niet gestraft moeten worden voor wat hij een medemens heeft aangedaan?
Ook hier lukt het me niet mijn ogen van de Fotohumor naar de, vermoed ik gezien de immer blije blik, Woordhumor te krijgen.
Een slechte foto slaat het verhaal dood, dat wil ik er maar mee zeggen. Hou er rekening mee als er een opgewekt persoon langs komt die zegt dat hij haast heeft, maar dat alles goed komt als u precies doet wat hij zegt. (december 2009)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Zapcultuur

Je moet nooit reageren op de op- en aanmerkingen van lezers van je columns. Je moet de columns hun zegenrijk werk laten doen en je er vooral niet meer mee bemoeien.
Ik weet het.
En bemoei me nu met degenen die schreven naar aanleiding van mijn stukjes over recensies voorzien van sterren: ‘Weg met de sterren’ en ‘Vallende sterren’.
Zowel op De Spanningsblog als op mijn website kwamen reacties.
Niet van lezers, wel van schrijvers en recensenten.
De schrijvers leefden met me mee. Ze waren van plan zelf het onderwerp aan te snijden, maar ja, drukdrukdruk en bovendien: voor je het weet worden die recensenten boos en in een klein land kom je elkaar steeds tegen, dus, bij nader inzien, was morele steun voldoende.
De recensenten vielen in twee groepen uiteen. Een groepje vond dat recensenten ‘best wel’ eens kritisch toegesproken mogen worden.
Een iets grotere groep betrok als de bliksem een egelstelling. Er waren er twee die me meedeelden dat van het ad hoc uitdelen van sterren geen sprake is.
In het voorbeeld dat ik gaf (een recensie in Het Parool) leek het ad hoc me behoorlijk overtuigend aangetoond, maar ik wil graag aannemen dat recensenten serieuze lezers zijn.
Niks ad hoc dus, we zijn het weer eens helemaal eens.
Nu het punt waar ik naartoe wil.
Recensent Remko Meddeler schreef: ‘Afschaffen van sterren is niet verstandig, want in een zapcultuur als de onze moet je snel de conclusie tot je kunnen nemen.’
Ik ben zo vrij het niet met hem eens te zijn. Die zapcultuur hebben we onszelf aangedaan, maar ik zie geen enkele noodzaak het te gek te maken. Niet alles hoeft snel, een boek is de televisie niet. Over een boek van 300 bladzijden lees je nu even lang als een eeuw geleden. Een boek helpt mee aan het onthaasten. Een boek lees je voor je plezier.
Nou, heb dan voor je plezier en je onthaasting drie minuten over, langer duurt het lezen van een recensie niet sinds de redacties van kranten en tijdschriften vinden dat voor misdaadromans het minimum aan ruimte eigenlijk al te veel is. (november 2009)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Vallende Sterren

Ik zou willen dat ik niet zo argeloos was, en zo goed van vertrouwen. Af en toe geloof ik zowaar dat mensen (zelfs journalisten) hun werk serieus nemen. Ik leer het ook nooit. Maar ik word wel voortdurend bijgespijkerd, dus ik bereik misschien ooit de leeftijd  waarop ik naar eer en geweten kan zeggen dat het cynisme blijvend heeft toegeslagen.
Neem de column van een week geleden met de titel ‘Weg met de sterren’.
Ik schreef dat het maar beter afgelopen kan zijn met het plaatsen van sterren onder een recensie, omdat de sterren te vaak niet sporen met de tekst.
Als voorbeeld citeerde ik enkele regels uit de recensie van Peter Kuijt over mijn misdaadroman ‘Een zaak van vrouwen’ die was geplaatst in Het Parool. Onder het stuk stonden drie sterren en ik vond het weinig.
Peter Kuijt vond dat zelf ook. Hij had het boek beoordeeld en het vier sterren waard gevonden.
Het Parool had zijn stuk ingekort en drie sterren geplaatst. Je zou dus kunnen zeggen dat het meteen het aantal sterren had ingekort.
Nu weet ik iets van journalistiek en ik weet ook dat inkorten soms nodig is. Inkorten behoort tot de vaardigheden van een journalist, het is vrijwel les één basiskennis journalistiek. Over het inkorten van het betreffende stuk spreek ik me niet uit, wel over de gevolgen.
Een recensent leest een boek, maakt een stuk en geeft sterren. Een journalist leest de recensie, gaat een potje hakken en steekt een vinger in de lucht: wat zullen we er vandaag eens van maken, wel opschieten want de pagina moet door, drie sterren dan maar. Het kunnen er twee worden als de journalist net een kop redactiekoffie heeft genuttigd en ruzie met een collega heeft gehad; wie redactiekoffie kent weet wat ik bedoel. Als de redacteur ook nog net op zijn donder heeft gehad van zijn chef kan er maar zo nog een ster vallen. Ik wil maar zeggen: het aantal sterren is soms volslagen willekeurig en hangt meer af van de op niets gebaseerde smaak van een redacteur dan van de kwaliteit van het boek of de mening van de recensent.
Niet leuk voor de recensent en niet leuk voor de schrijver, maar de lezers weten nergens van, dus wat kan het schelen.
Natuurlijk moet ik er niet te zwaar aan tillen, volgende week is een andere schrijver de pineut, en wie zich te veel roert en vervelende columns schrijft die negeren we in het vervolg. Maar het onderwerp is een discussie waard en daarom blijf ik beweren dat we van die sterren af moeten. Met tekst hannesen vraagt enige vaardigheid, rommelen met sterren kan de grootste prutser. (november 2009)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)


 

Weg met de sterren

Je ziet ze bijna overal: sterren onder een recensie.
Omdat het moet. Van wie, voor wie, geen idee, maar het moet, het zal wel een trend zijn.
In de tijd dat ik chef van een kunstredactie was heb ik me altijd tegen die sterren verzet.
Mijn argumenten:
1. ‘Als je sterren gebruikt, laat dan alsjeblieft de tekst achterwege, want daar let geen mens op.’
2. ‘Het valt niet mee om een recensie zo te schrijven dat de tekst in lijn ligt met het aantal sterren dat onder het stukje staat.’
Ik wil niet opscheppen, maar: ware woorden.
Recensenten die niet kunnen lezen (ze zijn er), en recensenten die niet willen lezen (daar zijn er meer van) maken een zooitje van de tekst en geven steevast twee sterren omdat ze daarmee weinig risico lopen; ik heb al een keer uiteengezet hoe dat zit.
Recensenten die hun vak verstaan (en daar gaat dit stukje over) vergeten soms de samenhang tussen wat ze schrijven en wat ze eronder laten fonkelen.
Een voorbeeld.
In Het Parool stond (van Peter Kuijt): ‘... stijlvast: ad rem, hilarisch en hardgekookt. De dialogen zijn opnieuw om door een ringetje te halen en – ook niet onbelangrijk – het verhaal is van begin tot eind spannend, variërend van tamelijk tot loeispannend.’
Nu mijn vraag, hoeveel sterren stonden onder het stuk.
Ik zou zeggen: vijf of, als de recensent zwaar is gaan leunen op het woord ‘tamelijk’, toch zeker vier.
Er stonden er drie.
Dat bedoel ik nou. En daardoor slaat bij mij de verwarring toe. Welke woorden moet een recensent gebruiken als hij uitkomt op vier sterren, en hoe juichend zal hij zijn bij vijf?; ik zie daar geen tekst bij voor me.
Woorden en sterren missen samenhang, zou ik zeggen.
En daarom baal ik een beetje, want u had allang geraden dat het om een recensie van mijn nieuwste boek gaat, Een zaak van vrouwen.
Mijn ervaring is dat (zie boven) bar weinig lezer tekst onthouden, maar dat het aantal sterren blijft hangen.
‘Stijlvast: ad rem, hilarisch en hardgekookt’: kopen dat boek.
Drie sterren? Aardig, maar ook zozo-lala: laat ik maar iets anders uitzoeken.
Dat bedoel ik nou: één recensie, twee conclusies.
Ik ben schrijver. Ik leef van taal. Daarom zeg ik: de woorden moeten blijven, en weg met de sterren. (oktober 2009)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Weerwoord

Een van de somberste gedachten die ik ken is: Heb ik dat al gehad?
Er schiet me iets te binnen.
Iets moois, iets waarvan ik denk: daar kan ik iets mee.
Ik begin te typen en de eerste alinea vliegt op het scherm.
Daarna slaat de vertraging toe. Mijn vingers willen wel, maar mijn hoofd weigert.
Het hoofd twijfelt.
Is dit niet oud? Is dit niet iets wat je al hebt opgetikt?
Het hoofd gaat te keer. Het duikt in archieven diep weggedrukt onder de schedel. Het vindt niets, maar het produceert ook geen gevoel van opluchting: iets niet vinden betekent niet dat het niet bestaat. Misschien is het er wel, maar klampt het zich vast aan een ander stukje archief.
Om mij in de luren te leggen.
En om u te laten schamperen: ‘Hé, schrijver, dat is ouwe koek hoor.’
Misschien wil mijn geheugen me dwarszitten, of me een lesje leren.
Een lesje in nederigheid misschien, of in twijfel, je weet het nooit.
Misschien wil het wel zeggen: hou eens op met het maken van die stukjes, wat heb je er aan, het leidt tot niets, ga een boek schrijven, het boek waar iedereen al decennia op zit te wachten.
Ik wou dat ik een weerwoord had.
Een weerwoord dat zijn weerga niet kent.
Het enige wat ik kan bedenken is: dat boek waar iedereen decennia op zit te wachten heb ik al geschreven. Ik schrijf er bijna elk jaar een. Ga maar naar de boekwinkel, doe eens wat.
Helemaal tevreden ben ik er niet over.
Misschien komt dat wel omdat ik u schamper hoor lachen. (oktober 2009)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

  

De zon gaat op ...

Soms gebeurt het: ik heb een cd in mijn hand en begin een melodie te fluiten, precies die van het eerste lied van die cd.
Kijken naar de cd leidt tot niets, de titel lezen evenmin, maar als ik het ding in mijn hand neem, dan zijn ze er: de noten.
Bij een boek heb ik nooit zoiets.
Ik kan er naar kijken, het op de hand wegen, het achterplat drie keer lezen, nooit zal de eerste regel bij me op komen. Meestal zelfs de naam van de hoofdpersoon niet, ook niet als het een boek van mezelf is.
Boeken worden van de harde schijf in mijn hoofd gewist, liedjes blijven hangen, en ik vraag me al jaren af of dat nu positief is of heel slecht.
Ik ben schrijver, ik moet het hebben van tekst, van woorden. Maar nooit schieten ze me te binnen als ik denk aan een boek, een verhaal, een gedicht.
Nou, ja, nooit. Er is een uitzondering, maar daar gaat u niet van achterover slaan.
Anderhalf gedicht van Riekus Waskowsky is blijven hangen..
Het gedicht luidt:
Zeer vrij naar het Chinees
De zon gaat op, de zon gaat onder
Wat doet die boer nou toch weer?
Het halve gedicht is een variant:
De zon gaat op, de zon gaat onder
Langzaam telt de boer zijn kloten
Dat is het, en ik ben er niet trots op.
Liever had ik hele stukken tekst spontaan kunnen opzeggen, met een behoorlijke dictie, als een acteur.
Ik kan het niet, en zal het nooit kunnen, en op lezingen moet ik vaak zeggen: ‘Die naam, waar hebt u die vandaan? Uit een van mijn boeken? Echt waar, ik had geen idee.’ (oktober 2009)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Gavin Lyall

Na het voltooien van een boek ga ik lezen, meestal een maand of twee. Om iets anders te doen, om het hoofd leeg te maken.
Lezen helpt als je hoofd leeg moet ... zolang je maar boeken leest die je al een keer gelezen hebt. Of twee keer, of drie.
Een vriend die liefhebbert in misdaadromans weigert een mening te hebben over de boeken die hij tot zich neemt: soms twee per dag, een enkele maal drie. Hij vindt zich geen recensent en daarom geeft hij geen oordeel. Omdat ik hem ken pak ik hem aan met een omweg. ‘Hoe vaak heb je ‘Een zaak van vrouwen’ al gelezen?’
‘Deze maand drie keer.’
Als hij een boek twee keer achter elkaar leest zit je goed, drie keer betekent bij hem: minstens 4 sterren.
Ik heb ook zo’n soort afwijking, maar dan op termijn.
Drie keer achter elkaar is me te gek, maar drie keer in drie jaar is een plezier. Of vier keer in vier jaar. Als ik het boek of de schrijver maar goed vind.
Bijna elk jaar lees ik alles van Gavin Lyall. U kent hem misschien niet meer. ‘De achterkant van de hemel’ schreef hij in 1961. Bijna een halve eeuw geleden, maar nog steeds een plezier voor het oog.
Hetzelfde geldt voor Donald Hamilton.
Wie?
Hamilton. Van de Matt Helm-boeken. Er zijn slechte films naar gemaakt met Dean Martin in de hoofdrol.
Er zijn er meer die ik herlees, maar het gaat me hier niet om oude, maar niet verouderde, klasseschrijvers. Het gaat me om het herlezen.
In Vrij Nederland schreef een recensent een paar jaar geleden dat ik weer dezelfde boeken als 20 jaar geleden moest gaan schrijven. Hij is exemplarisch voor horden lezers: graag steeds hetzelfde, hooguit met andere namen. Net als Dick Francis, net als Baantjer, net als .... nee, ik noem er niet meer, ik heb al genoeg vrienden.
Steeds hetzelfde is goed, bij hetzelfde hoef je niet na te denken en van denken word je maar moe.
Ik heb altijd een hekel gehad aan gemakzuchtige mensen.
Maar nu herlees ik Gavin Lyall. Voor de zoveelste keer, en ik bedenk dat ik in feite geen haar beter ben. (oktober 2009)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Weg met Ambler en Spillane

 

Het kwam zo maar over me: te veel boeken. Ik schrok van de gedachte, maar ze wilde niet wijken. Mijn woonkamer heeft geen behang, maar boek, overal. Eerst netjes in het gelid, later met stapels tot de plank er boven, nog later op de vloer en op de bovenste plank tot het plafond. Er was blijdschap bij de spinnen, maar verdriet bij bezoekers met stofallergie.
Na lang tobben kreeg ik een bruikbaar idee: alle boeken waarvan ik zeker wist dat ik ze niet nog een keer wilde lezen konden weg. Daar ging De wetten van Connie Palmen; wat moet ik met een boek dat je hebt omdat je het hoort te hebben al weet je dat niemand bladzijde 40 heeft gehaald. Weg met De slinger van Foucault van Umberto Eco en met  Imprematur van Monaldi & Sorti. Er waren meer boeken waar ik door vrienden niet mee gezien wilde worden, maar het schoot niet op. Series moest ik hebben.
Daar gingen alle boeken van Edwards Aarons over zijn held Sam Durell (stuk of 50), alles van Carter Brown (ruim 60), van James Hadley Chase, Mickey Spillane en Dan J. Marlowe. De meeste van die boeken had ik bewaard omdat ze van die fantastische omslagen hebben, kleine kunstwerkjes die een beter tijdsbeeld geven van de jaren 50 en 60 dan de inhoud. Alles van Ian Fleming ging er achteraan, daar waren zelfs de omslagen van onder de maat.
Eric Ambler ging ook in een doos voor de Kringloopwinkel, net als JanWillem van de Wetering, het meeste van Koos van Zomeren, een deel van de boeken van Ross MacDonald, alles van Peter Cheyney behalve de Duister-serie, het meeste van Len Deighton en alles van Duncan Kyle.
Let wel, voor u me bedreigt met hel en verdoemenis, ik heb het over boeken waarvan ik zeker wist dat ik ze nooit zou herlezen.
Dus weg met alle Harlan Cobens behalve zijn boeken over Myron Bolitar, weg met vrijwel alles van Lisa Scottoline.
Toen ik klaar was zaten er gaten in de boekenkast, en stonden in de serre zestien volle dozen. Er was nog veel over. Waarom kon ik nog geen afscheid nemen van Dick Francis? Zijn eerste 10, 15 boeken zijn goed, daarna schreef hij elk jaar hetzelfde boek met andere namen. Waarom ging P.G. Wodehouse naar zolder en niet in een weggeefdoos? Net als Ed McBain en Rex Stout?
Iets van jeugdsentiment, misschien, of het vage gevoel van: maak het niet te gek, tussen de 10 en 20 procent van je boeken weg doen is revolutionair genoeg.
Nadat ik de dozen had weggezet ging ik de stad in.
Daar kocht ik Cellojaren van Bernlef.
Dat gaf een heel goed gevoel.  (juli 2009)

 

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

 

Twentse Da Vinci Code

 

Een thema waar ik al eens een paar zinnen aan heb gewijd is dat van de schrijver die door mensen zonder schaamtegevoel wordt gevraagd om zich voor een habbekrats het schompes te werken.
U kent dat wel: ‘We weten dat het een heel werk is, maar we hebben helaas weinig geld tot onze beschikking, dus u begrijpt ...’
Onlangs kreeg ik te maken met een barre variant, die van de schrijver die geacht wordt gratis aan de slag te gaan.
In Twente is een Twents Bureau voor Toerisme. Ik wist het niet, u wist het niet, maar het is er en heeft een project en een plan.
Het project heet ‘heilige huisjes’ en heeft te maken met alles waar je het woord religie tegenaan kunt plakken: kerken, Mariakapelletjes, begraafplaatsen, relikwieën, etc.
Het plan heet boek.
Niet zomaar een boek, een Twentse Da Vinci Code.
Of ik het wilde schrijven.
Ik zei dat ik erover na wilde denken, want denken kan zelden kwaad. In dit geval wel. Er moest niet gedacht worden, maar gehandeld en mijn suggestie om het boek van Dan Brown te nemen en van Rome Ootmarsum te maken en van die plaats in Frankrijk waar ook iets aan de hand is Tilligte werd weggelachen.
Het was serieus.
Oké, zei ik, geef me een jaar of vijf om, tegen betaling, research te doen en we komen een eind.
Dat was ook de bedoeling niet. Het boek moest er over ruim een jaar zijn. Of ik wilde blijven denken, ze zouden me informatie sturen.
Die informatie kwam niet en toen wist ik het al. Als u schrijver bent dan weet u het ook, want we hebben het allemaal eerder meegemaakt. Komt de informatie niet dan is er a. een commissie die het anders wil, b. iemand van de organisatie die een kennis heeft die een vriend heeft met een oom die altijd al had willen schrijven en de Da Vinci Code bovendien in zijn slaap kan opzeggen.
Na een paar weken kwam er een verzoek. Of ik een plot wilde maken en op wilde sturen naar een commissie die andere schrijvers had gevraagd hetzelfde te doen. Ik ken in Twente nog een andere schrijver die zich met misdaadromans bezighoudt en die woont in de Achterhoek dus ik dacht meteen aan de persoon die een kennis heeft die een vriend heeft met een oom die altijd al had willen schrijven.
Persoonlijk was ik dus niet verbaasd (je kunt de gekste gekkigheden verwachten als je schrijver bent), maar ik was wel een tikkeltje pissig.
Een schrijver vragen of hij een plot cadeau geeft.
Maffer kun je het moeilijk bedenken. (juni 2009).

 

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

 

Groenonderhoud Enschede

 

De gemeente moet bezuinigen en het college van burgemeester en wethouders laat de raad kiezen, dat doen colleges die niet het lef hebben zelf met een voostel te komen. Tot de keuzes behoort het groenonderhoud, en, raadsleden, doe de gemeente Enschede een plezier en kies daarvoor, in elk geval voor wat betreft het groenonderhoud bij vijvers. Er is daar in de afgelopen jaren genoeg schade aangericht, de natuur heeft nu al minstens tien jaar nodig om zich te herstellen, zorg dat de gemeentediensten uit de buurt blijven.
Ik weet waarover ik praat.
Acht jaar geleden ging ik wonen tegenover een vijver die meer onderhoud krijgt dan welke vijver in Enschede ook. In Enschede? Ik maak me sterk dat er in het hele land geen vijver te vinden is waar zoveel onderhoud wordt gepleegd. Als er twee dagen niemand van de gemeente rondloopt kijken mijn vrouw en ik elkaar bezorgd aan: zou er iets mis zijn met de onderhoudsdienst? Maar gelukkig, op de derde dag komen dan minstens vier mensen of meer om de achterstand in te halen.
Het laat zijn sporen na.
Acht jaar geleden waren er bosschages, groepjes berken, struiken met konijnen, vogelnestjes. Alles sneuvelde onder de krachtige hand van de onderhoudsdienst. Weg struiken, bomen, beesten. Leve de maaimachine en leve de boer die een paar honderd keer per jaar over het gras hobbelt met zijn tractor en zijn tank van een paar duizend liter.
Er is een wet die zegt dat als een gebied eenmaal is bedorven, de aftakeling verder gaat en nooit meer ophoudt. In dat kader kwamen er onlangs mannen die putten maakten (‘Twee kleine putjes, meneer, als we klaar zijn ziet u niets meer, hooguit een dekseltje’), en een betonplaat van zo’n 10 vierkante meter. Op de plaat zou een kastje komen (‘Kleine kast, meneer, echt dat ding valt nauwelijks op’), maar er kwam een kást. Wie nu naar de vijver kijkt ziet eerst kast, daarna kast en, misschien, daar weer na wat vijver. De kast is gezichtsbepalend, zal ik maar zeggen.
Een buurman heeft bij de gemeente geklaagd en gezegd dat hij vindt dat er struiken rond de kast moeten worden geplaatst, het soort struiken dat een paar jaar geleden werd gerooid. Hij vroeg het omdat hij gelooft in redelijkheid en gezond verstand. Daarom ook -ik betreed nu even een zijpad- geloofde hij de wethouder die zei dat de Noord Esmarkerrondweg (inderdaad, over die vijver heb ik het) geen weg wordt voor vrachtauto’s die nu dagelijks bij tientallen ongestoord alle borden negeren. Hij, de buurman, vindt dat wethouders niet mogen liegen en denkt dat ze het daarom ook niet doen. Hij is een idealist.
Ik niet, maar ik doe graag dingen tegen beter weten in. Daarom, raad: zorg dat het tijdrovende, dure geknutsel ophoudt. Leg een verbod op goedbedoelde maatregelen die worden getroffen door amateurs die geen idee hebben van het uiteindelijke resultaat.
Begin klein, begin met de groenonderhoudsdienst.
Hou ze weg van de vijvers. (juni 2009)

 

(Ik zal vaker columns schrijven over Enschede. De gemeente verdient het)

 

 

 

De Dag Van

 

De dagen zijn lekker bezig, deze maand.
We hebben al de Dag van de Bloeddonor gehad, de Dag van de Industrieel Verpakker, de Dag van Autisme en verstandelijke Beperking, de Dag van de Combinatiefuncties en de Dag van de Praktiserende Boomverzorgers.
Iets van gemerkt?
Wakker geworden met het opwindende gevoel dat u in de komende uren alles te weten zou gaan komen over praktiserend boomverzorgen?
Ik niet.
Geen nood: we hebben de weken nog.
De Week van het Luisterboek.
Iets van vernomen?
Probeer ik het nog een keer.
De Maand van het Spannende Boek.
Een hele maand voor een spannend boek, als u een beetje doorleest jaagt u er in een maand misschien wel vier of meer spannende boeken door.
Ik zal niet beweren dat de maand me is ontgaan. Op de radio werd, terecht, reclame gemaakt voor het geschenkboek van Esther Verhoef en hier en daar was een interview. Hier en daar?
Hier en waar, kan ik beter zeggen.
In de regionale krant die ik zes dagen in de week in de bus krijg omdat ik er niet voor hoef te betalen werd een interview met Marion Pauw aangekondigd. Toen ik de krant had gelezen dacht ik: waar is, verdomme, dat interview dan toch.
Bleek het te gaan om een interview op ‘onze website’.
Onze website.
Volgens de krant kijken duizenden inwoners van dit land er elke dag tandakkend naar uit, maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die toegaf dat hij tijd spendeerde aan de site, laat staan de moeite nam om er een interview te gaan lezen dat natuurlijk afgedrukt had moeten worden op papier.
Voor vaderdag riep Wim T. Schippers met zijn vileine, dunne stemmetje op om een boek te kopen. Niet een spannend boek, maar een boek, het is Schippers een zorg welk boek u aanschaft.
Terug naar de Maand van het Spannende Boek met als hoogtepunt de uitreiking van de Gouden Strop. Voor de jury van die strop zijn al jaren niet voldoende juryleden te vinden met kennis van zaken; met twee recensenten zijn we al blij. En als een jurylid wegloopt omdat hij liever films maakt dan dat hij 81 boeken leest dan bellen we de sponsor: ‘Heb je nog iemand die kan lezen? We hebben juryleden te kort.’
Na de uitreiking van de Strop komt die hele lange, dondersspannende boekenmaand juni. Over de genomineerden hoor of lees je traditiegetrouw niets, de winnares is verbannen naar een website en je komt in kranten en tijdschriften meer berichten tegen over water (25 juni: de Dag van Leven met Water) dan over misdaadromans.
Vraagje: zijn wij, misdaadauteurs, uitgevers van misdaadromans, leden van het GNM, wel even goed bezig als we soms denken dat we zijn? (juni 2009)

 

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

 

 

Redelijke prijs

 

De Gouden Strop, is dat eigenlijk iets? Of denken wij, misdaadschrijvers, dat het iets is, maar is het niets, een vliegenpoepje van 11.000 euro, een aardigheidje voor jongens en meisjes die ook maar wat aan punniken en, als ze onder elkaar zijn, doen of wat ze schrijven enige betekenis heeft.
Ik moest hier aan denken toen ik in Volkskrant magazine een interview las met Tim Krabbé, schrijver van het boekenweekgeschenk van dit jaar.
Het schrijven van het geschenk is ‘geweldig voor een schrijver die nooit ook maar een stapje in de buurt van een redelijke prijs is gekomen’.
Nooit ook maar een stapje. Redelijke prijs.
Het komt uit de mond van een winnaar van de Gouden Strop. Oké, hij had de prijs niet moeten winnen en als er niet een tijdperkje was geweest waarin jury’s vonden dat ze de Gouden Strop konden opstoten in de vaart der volkeren door een 'echte auteur' uit te zoeken dan had hij ook niet gewonnen (evenmin als Maarten ’t Hart), maar ja, hij won wel en hij accepteerde.
Misschien heeft hij van dat accepteren diepe spijt. Zou best kunnen. Als iets uit interviews met hem blijkt dan is het dat hij een man met weinig zekerheden is. Een twijfelend, weifelend mens die er hartstochtelijk naar verlangt om serieus te worden genomen. Dat word je in boekenland, in zijn ogen, niet als je met een Gouden Strop aan komt kakken.
Toen er een paar jaar geleden een boek op de markt kwam met verhalen van winnaars van de Gouden Strop stond er niets van Krabbé in.

Hij wil niets meer met de prijs te maken hebben, praat er liever niet over, bant het uit zijn geheugen.
Mag allemaal, wat mij betreft. Wie een geweldig boek als De Renner heeft geschreven en (na Hans Ree) de beste schaakrubriek van Nederland heeft gemaakt, kan bij mij een potje breken.
Maar een tikkeltje overdreven is het wel.
Zo erg is een Gouden Strop ook weer niet.
Je komt er niet door in de boekenhemel, maar ook niet in de boekenhel.
In de boekenhel kom je juist als je een boekenweekgeschenk hebt gemaakt. Dan moet je namelijk naar het boekenbal.
Daar ben ik een keer geweest, in het jaar waarin Lenette van Dongen van het podium werd gehoond, en ik heb plechtig met mezelf afgesproken dat ik nooit meer hoef. Wat een avond. Als er in Dantes tijd een boekenbal was geweest zou zijn beschrijving van de hel pittiger zijn geworden.
Krabbé als eregast op het boekenbal. Als hij de Gouden Strop had omarmd en zijn romans misdaadboeken was gaan noemen dan was die ellende hem, de introverte schrijver, de eenling, toch maar mooi bespaard gebleven. (maart 2009)

 

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

 

 

Net literatuur

 

‘Veel lezers denken dat een schrijver het wel leuk zal vinden om te horen dat zijn tekst leest als een trein, maar het is heel erg ...’
Ik citeer een stukje uit het oeuvre van Paul Sebes die een paar weken lang door De Volkskrant in staat is gesteld het plezier van aankomende schrijvers te vergallen met de cursus Hoe word ik schrijver.
Helemaal geen pretenties, die man, geen spoortje arrogantie, je ziet het, voelt het, ruikt het als je zijn stukjes leest.
‘Boeken die lezen als een trein behoren vaak eerder tot de lectuur, en zijn slechts bedoeld om te ontspannen en te vermaken.’
Wolkers, blij dat je dood bent.
Met zinnen die lekker lezen krijg je lectuur, met zinnen die verwarren krijg je literatuur.
Ik leg u twee stukjes tekst voor:
A. ‘Haar gezicht zag er verkruimeld uit. Losse stukken op een wit kussen met een neuspunt die maar net uitkwam boven bulten die aan de basis paars en aan de bovenkant donkerrood waren. Aan de rechterkant zaten rijen hechtingen die zwarte walletjes vormden waardoor wang en kin er uitzagen als een akker waar een beginneling in had rondgeploegd. De delen die niet geraakt waren vormden grijze vlakken. Haar haren waren aan één kant boven de slaap weggeschoren om een centimeters lange wond te kunnen behandelen. Onder haar ogen zaten de zwarte strepen van een gebroken neus. In de ogen zat geen leven; doffe, grote pupillen die niet bewogen, ook niet toen ik mijn hand boven haar gezicht liet hangen en langzaam bewoog.’
B. ‘Haar gezicht -losse stukken op een wit kussen met een neuspunt die maar net uitkwam boven bulten die aan de basis paars en aan de bovenkant rood waren- zag er verkruimeld uit, een akker waar een beginneling in had rondgeploegd, met walletjes van hechtingen tussen de grijze stukken huid die niet geraakt waren, maar bijna obsceen afstaken tegen de lange wond boven de slaap, een beurse plek in de rechthoek waar het haar was weggeschoren en die, als golven op een strand, stuk liepen op de zwarte strepen naast de gebroken neus met erboven ogen zonder leven, weggezonken in het gezwollen vlees, met pupillen die -kleiner dan speldenknoppen, zwarter dan spelonkenduister, dieper dan de ziel-  de wereld buitensloten, ook toen ik mijn hand boven haar hoofd liet zweven  en ...’
Laat verder maar. Ik kan zo nog drie A4-tjes doorgaan als ik wil, maar waarom zou ik.
B. is lang en lastig en heel diep als je opgeleid bent door mensen die je hebben geleerd dat lang en lastig automatisch diep is, net literatuur.
Persoonlijk vind ik het gelul, maar ik ben vast niet goed opgeleid.
A. is wat mij voor ogen staat als ik aan het schrijven ben. Het zijn de eerste regels uit ‘Een zaak van vrouwen’ dat in september bij De Bezige Bij uitkomt.
Wat zegt u? Leest het als een trein?
Precies. En dat is de bedoeling.
Als Paul Sebes me zijn adres stuurt krijgt hij een exemplaar.
Misschien leert hij er iets van.  (maart 2009)

 

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

  

Stan

Een paar keer per jaar krijg ik een mail van iemand die Stan Lauryssens heet, of die zich zo noemt. Ik lees die mailtjes altijd met aandacht en plezier. Niet vaak krijg ik iets onder ogen van iemand die zo tevreden is met en over zichzelf.
‘Zopas leverde ik mijn nieuwe thriller in, waarop ik prompt het volgende mailtje kreeg van mijn uitgever: “Een ware wervelwind. Spannend, burlesk en controversieel. Chapeau. De commissaris is en blijft een man om van te houden.” Titel “Bloedrozen [The Dali Killings]”.’
Geweldig. Dat mailtje dan. Over het boek weet ik niets. Stan heeft het zojuist (februari) ingeleverd en de uitgever zorgt dat het eind maart, begin april in de boekwinkels ligt.
Vlotte uitgever.
Als-ie bestaat.
Het kan best aan mij liggen, maar ik heb nooit, in welke winkel dan ook, een boek zien liggen dat is geschreven door Stan Lauryssens. Ik ben zijn naam nooit tegengekomen op een lijst voor Gouden Strop of Diamanten Kogel en ik ben nooit op een bijeenkomst geweest waar zijn naam werd genoemd.
Nogmaals: kan allemaal aan mij liggen, er ontgaat me veel.
Maar zelfs als Stan Lauryssens niet bestaat kunnen we van hem leren.
Die aanpak, die tevredenheid, laat het een voorbeeld voor ons allen worden.
De eerste keer dat ik een Stan-mailtje kreeg dacht ik: nounou, is dat niet een beetje veel van het goede?
Een paar mailtjes later voelde ik bewondering.
Waarom ook niet.
Je schrijft een boek, je stuurt het naar je uitgever, en dan?
Bij mij: dan niks. Ik ben klaar, laat de uitgever de rest maar doen.
De Stannen onder ons zien dat anders en ze hebben gelijk.
Ooit heb ik in een interview naar aanleiding van een nominatie voor de Gouden Strop de interviewer laten schrikken. Hij vroeg: ‘Wie gaat er winnen.’ Ik zei: ‘Ik natuurlijk.’ Meteen schoten zijn wenkbrauwen omhoog en ik zag hem denken: hebben we hier te maken met een eigenwijs persoon?, een zelfverheerlijker?, een arrogante meneer?
Pas toen ik zei: ‘Als ik niet achter mijn eigen werk sta, wie moet het dan doen?’ begreep hij wat ik bedoelde. Hij vond het nog steeds te veel van het goede, maar het kon er mee door. In het interview verwerkte hij de vraag en het antwoord niet, hij had zijn grenzen.
Toch moeten we overwegen of we Stan niet moeten volgen.
Je schrijft een boek, je stuurt het op, je klimt op een toren en je blaast dat het een lieve lust is. Laat horen dat je trots bent op je boek. Ga Stannen tot je er bij neervalt. Misschien lacht iemand je uit, maar je naam blijft hangen. Nooit een boek van Stan Lauryssens gezien, schreef ik. Maar hij zal mijn geheugen nooit verlaten.
Daarom volg ik hem, hier en nu. ‘Maanden geleden stuurde ik mijn nieuwe boek naar De Bezige Bij. Mijn uitgever vond het geweldig. In september komt het uit. ‘Een zaak van vrouwen’. Vergeet die titel niet. ‘Een zaak van vrouwen.’ (feb. 2009)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

  


Brakmans werkkamer

Misschien hoef je niet dood te zijn om geëerd te worden. Maar het helpt wel.
Neem Willem Brakman.
Het grootste deel van zijn leven in Enschede gewoond, maar nooit het middelpunt van een boekenfeest, een eerbetoon, een symposium, een gala.
Niet in zijn woonplaats in elk geval. En als het er toch is geweest dan was het zo onbetekenend dat mijn geheugen het heeft gewist.
Ik zou het hebben geweten als Enschede iets voor Brakman had gedaan, want een aantal jaren woonde ik op honderd meter afstand. Ik hield hem in het oog, zogezegd. Vaak letterlijk, als hij naast zijn fiets naar huis liep, wankelend en breekbaar.
Nu ik er aan denk: als ik van mijn huis naar het huis van Brakman liep kwam ik langs het geboortehuis van Jan Cremer. Ik denk niet dat er een stukje Enschede is met een grotere schrijverdichtheid. Mooi dicht bij het ziekenhuis, ook nog.
De gemeente is dat altijd ontgaan. De organisatoren van boekenevenementen ook.
Brakman is al dood, nu wij nog. Daarna wordt er een groot feest georganiseerd, let maar op. Dood ben je geliefd.
Willem Wilmink wordt tegen de klippen op herdacht, de laatste jaren.
Hadden ze het maar gedaan toen hij nog leefde. Ik weet zeker dat hij dat leuker zou hebben gevonden.
Toen hij leefde gebeurde er weinig, na zijn dood was hij aas waar flink aan is en nog steeds wordt geplukt.
Wilmink was het middelpunt op de grote feestavond rond de presentatie van een boek over inwoners van Enschede.
Over Brakman werd gemeld dat hij dood was. Dat gebeurde met tegenzin en pas nadat een paar medewerkers aan het boek daar sterk op hadden aangedrongen.
Iets van de boosheid  van die medewerkers is blijkbaar blijven hangen, want in het Rijksmuseum is nu een Brakman-expositie. Zijn werkkamer is er voor overgeplaatst. Het is niet veel, maar het is een begin: de molen begint meestal pas echt te draaien als de wormen klaar zijn met je botten.
Jan Cremer dreigt al jaren een museum te krijgen.
De plannen zijn er, de man die de zaak moest voorbereiden was er ook, maar met de fondsen zat het niet goed. De voorbereider is onlangs vertrokken. Het beetje geld dat bijeen is gebracht is net voldoende om de schijn nog een poosje op te houden.
De toekomst van het museum ziet er somber uit. Er is maar één manier om de zaak te bespoedigen.
Jan wil je snel overlijden?
Enschede heeft je nodig, maar niet als je nog leeft. (jan. 2009)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Bioscoop

De zondageditie van dagblad Tubantia is gesneuveld. Prima. Het was niks en het werd niks en dan kun je wel blijven hopen, maar het doorbladeren van de zondagkrant ging alleen maar af van de tijd die beschikbaar was voor de zaterdageditie van De Volkskrant.
In de laatste aflevering van de zondagkrant kreeg een aantal lezers het ‘laatste woord’. Een van hen was Winnie Sorgdrager, u weet wel, dié.
Ze kwam in de jaren zeventig naar Enschede en trof aan: ‘een aftandse schouwburg, een vieze bioscoop, treurige eettentjes’.
Alsjeblieft. Krasse taal.
En blasé geklets.
Ik kwam ook naar Enschede in de jaren zeventig. Van de eettentjes weet ik niets meer. Van de schouwburg weet ik dat er mooie voorstellingen waren. Van de bioscoop weet ik meer.
Er waren er minstens vier en een ervan was ondergebracht in het schouwburgcomplex aan de Langestraat. Kraakhelder, die bios. Hetzelfde gold voor de grootste, en belangrijkste: Alhambra.
Ik heb dertig jaar filmrecensies geschreven en in die tijd in honderden bioscoopzalen gezeten. Er waren grotere dan Alhambra en er waren, voor de verbouwing, mooiere. Maar ik kan me geen enkele bioscoop herinneren die met zoveel liefde werd gedreven en waar zoveel zorg werd besteed aan schoonmaak en onderhoud.
Ook in de tijd dat bioscoopexploitanten flink geld konden verdienen met actiefilms was er in Alhambra ruimte voor de ‘betere film’, omdat de eigenaars dat van belang vonden. De kleine bioscopen verdwenen, Alhambra bleef en kreeg concurrentie van Lumière. Daar hadden ze wel voornamelijk de grote publieksfilms, maar toch legde de bioscoop het af tegen Alhambra; ook filmliefhebbers zien het verschil tussen pure exploitatie en liefde voor het vak.
Alhambra sloot, net als bijna alle andere bioscopen in de centra van de steden en stadjes in Twente: Hengelo, Oldenzaal, Borne. Allemaal doodgemangeld door CineStar dat onderdeel moest worden van een groots vermaakcomplex waar heel Nederland op af zou stormen. Een rijke bouwmeneer stak er geld in en het college van Enschede vergat op slag alles wat het ooit had beweerd met betrekking tot het begrip ‘binnenstadfunctie’.
Het project mislukte, maar CineStar bleef. Wie een film wil zien moet nu naar het troosteloze gebied naast het stadion van FC Twente. Naar de enige bioscoop in het land waar ik met grote tegenzin naartoe ga. Niet om Alhambra, niet omdat de zalen niet mooi zijn, want dat zijn ze wel degelijk, maar omdat een halve zool daar heeft bepaald dat je je eigen plaats niet mag uitzoeken. Je krijgt een stoel toegewezen, echt waar, het is bedacht en niemand heeft gezegd: ‘Ben jij nu helemaal gek geworden?’
Voor het oude Alhambra zijn plannen. Er komen andere zalen, er komen films.
Het zal mislukken, dat garandeer ik. Want het concept voor de nieuwe bios in de binnenstad is vrijwel hetzelfde als dat van de voormalige eigenaars van Alhambra, alleen kleinschaliger en zonder liefde en betrokkenheid. (jan. 2009)

 

Muziekkwartier

Enschede heeft een nieuwe schouwburg, nieuwe muziekzalen, nieuwe ruimtes voor de muziekschool, nieuwe ... Veel nieuw. Muziekkwartier heette het complex toen het werd gebouwd. Nationaal Muziekkwartier heette het toen het in gebruik werd genomen. Dat Nationaal is niet mis. Liefhebbers uit Groningen, Lelystad en Goes, kom naar Enschede voor uw cultuur. Kom met de trein, stap uit aan de kant van het meest naargeestige busstation van het land, kijk naar links en aanschouw.
Van binnen ziet het er beter uit. Mooi, durf ik te zeggen. Aardige doorkijkjes, gewaagde hoeken en vlakken, verrassende kleuren. Er valt te genieten als je rondloopt.
Maar dat doe je niet lang, rondlopen. Je bent in het complex voor toneel of voor muziek. Dan wordt het minder.
Langs de randen van de gangen lopen plasgootjes. Of afwateringsgootjes. Ik weet niet hoe de architect ze noemt, maar als u een vrouw bent dan wel meevoert die hoge hakken draagt wees dan bedacht op ellende. Ik ben in een maand tijd vier keer in het Nationaal Muziekkwartier geweest en de laatste keer zag ik dat er op een paar plaatsen planken over de plasgootjes waren gelegd. Niet mooi, maar een weldaad voor de enkels als je de zaal betreedt.
Wees op tijd als u naar de schouwburgzaal wilt, zeker als u in het midden van een rij zit. Er zijn alleen paden links en rechts, niet in het midden. Als u stoelnummer 24 hebt dan wordt het roeien langs een paar dozijn knieën. Prima stoelen, dat scheelt.
Vergelijk die stoelen eens met het houtwerk in de kleine zaal. Kleine zaal? Er is geen kleine zaal. Er is wel een klein uitgevallen muziekzaal die, als de nood hoog is, vol stoelen wordt gezet die zijn gemaakt met één doel: het breken van de rug van degenen die zo stom zijn om er op te gaan zitten.
Ik zag in die zogenaamde kleine zaal een voorstelling van de meest creatieve, fantasierijke en muzikale cabaretier die we hebben, Jeroen van Merwijk natuurlijk. Zelfs hij zag geen kans om visioenen van rugblessures te verdrijven en als hij het niet kan dan kan niemand het.
Advies. Mocht u toch zo dapper zijn om een voorstelling in die zaal te willen zien, ga dan precies in het midden zitten. Alleen als u recht vooruit kunt kijken waardoor u uw rug niet hoeft te draaien is het vol te houden.
Omdat de zaal is ingericht voor muziek en niet voor toneel is de belichting een ramp. Toen, halverwege de voorstelling, een paar plastic bekertjes van de bar tegen de achterwand (een bar in een zaal, er worden grappige dingen bedacht om een voorstelling te verpesten) liet Van Merwijk het zaallicht aan doen. Zijn vraag wie er was overleden en waarom was gerechtvaardigd.
Terzijde. Tubantia heeft sinds enkele weken een kunstkatern. In dat katern dat ‘Uit’ heet is veel belangstelling voor voorstellingen in het Nationaal Muziekkwartier. De leden van de kunstredactie weten dat het complex minder gelukkig is uitgevallen dan mocht worden verwacht, maar schreven er in dat katern niet over. Ik verwacht ook niet dat het zal gebeuren. Ik hoorde van iemand die bij de opzet van de Uit betrokken is geweest dat het katern mogelijk wordt gemaakt dankzij financiële steun van het Nationaal Muziekkwartier. (dec. 2008)

 

Fout gedaan

Wat hebben wij, schrijvers, fout gedaan. Wanneer is het begonnen. Kunnen we er nog iemand voor verantwoordelijk stellen en, zo ja, waarom doen we het dan niet.
Het volgende.
Achter in de tuin bleven plassen staan. Dat begon me te vervelen. Ik belde een grondbedrijf en vroeg: ‘Kunnen jullie een buis leggen van achter in de tuin tot de riolering?’ Ze zeiden dat ze het konden. Toen ik vroeg of het een beetje vlot kon zeiden ze dat ze de zaak zouden bekijken, dat ze meer te doen hadden, dat ik er van zou horen.
Ze kwamen op een andere dag dan was afgesproken, groeven een gat, legden een buis en zeiden dat een stratenmaker de stenen er vast wel naar behoren in zou kunnen leggen.
Ik zei een beetje zuinig: ‘Mooi, bedankt,’ en gaf de baas van het spul een fles wijn.
Dat bleek de bedoeling niet. Er moest geld op tafel komen, en gauw een beetje.
Het bedrijf dat nieuw lood om mijn schoorsteen aanbracht wilde evenmin wijn. De timmerman die een vloer legde in de keuken kwam met een rekening en zei dat boekenbonnen niet op prijs werden gesteld.
Terugkijkend valt me op dat eigenlijk iedereen voor werk betaald wilde krijgen. Dat ook heel gewoon vond. Boos werd als ik zei dat schilderen helemaal niet moeilijk kon zijn omdat ze elke dag schilderden dus dat een zoen op elke wang voldoende beloning was.
Ik begon er aan te wennen dat je voor diensten behoorde te betalen.
Toen kwam de man die een verhalenboek wilde en daar stukjes voor nodig had. Hij vroeg of het een beetje vlot kon omdat er weinig tijd was, maar dat het me vast niet meer dan een dag of twee zou kosten, misschien drie, hooguit een week.
Ik had net een bedrijf betaald dat nieuwe panlatten had aangebracht en zei in mijn argeloosheid: ‘Dat gaat je geld kosten.’
Hoho, dat was de bedoeling niet. Mijn naam zou in het boek worden vermeld. Meewerken deed je voor de eer.
Hetzelfde zei de man die vroeg of ik op een avond van de Rotary over mijn vak wilde vertellen. Het hoefde niet lang, als het bij een half uur bleef was het ook goed.
De vrouw die zei dat ik van die leuke stukjes kon schrijven en dat ze voor een blad leuke stukjes nodig had werd bleek toen ik een bedrag noemde.
Wijkbewoners die een eindredacteur zoeken voor het buurtblad, beginnende schrijvers die een boek klaar hebben maar er onzeker over zijn en jou willen laten lezen en beoordelen, journalisten die uit gemakszucht hun stukjes door jou willen laten schrijven, een kunstenaar die een spreker zoekt voor de opening, allemaal worden ze kregelig als je over geld begint, als je zegt dat schrijven je vak is en dat vakmensen graag betaald krijgen voor hun werk.
Ik ben schrijver. Als ik iemand vraag iets voor me te doen wordt hij boos als ik hem een warme hand geef en een welgemeend dankwoord.
Als iemand iets van mij wil en ik neem het woord ‘euro’ in de mond ben ik een uitzuigende zeurkont.
Niet alleen ik. Ik heb al heel wat collega’s over dit wonderlijke verschijnsel horen klagen.
Daarom herhaal ik.
Wat hebben wij, schrijvers, fout gedaan. Wanneer is het begonnen. Kunnen we er nog iemand voor verantwoordelijk stellen en zo ja, waarom doen we het dan niet. (dec. 2008)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Vrienden maken

'Bedankt voor je column, maar denk je eraan dat je er geen vrienden mee zult maken?’
Ik hoor het bijna elke keer na het opsturen van een stukje.
Onlangs was het weer raak en ik dacht: zouden die columns echt zo erg zijn?
Ik heb ze allemaal nagelezen en, nee, ze zijn niet erg. Ze zijn gematigd, bij het zoetsappige af, ze moeten echt niet liever worden.
Zijn er dan misschien veel mensen die wensen dat ik een grote vriendenschare krijg? Ik mag hopen van niet. Ik heb twee vrienden en meer moet niet. Twee is het maximum, meer kan ik niet aan. Wilt u vriendje met me worden ga dan op de wachtlijst staan waar ik nooit naar zal kijken.
We zijn niks gewend, dat is het.
We zijn niets gewend en we schrikken van alles. Boos omdat iemand zich niet aan een afspraak houdt? Stt, niks zeggen, over een poosje zie je hem weer en dan ...
Zelden zal iemand toegeven dat hij een fout heeft gemaakt, dus reken maar dat ik verbaasd was, en aangenaam verrast, toen Ezzulia (zie de column Tip voor de aankomende schrijver) ogenblikkelijk toegaf dat er dingen verkeerd waren gegaan en of we de strijdbijl konden begraven. Dat konden we. Want ik heb geen strijdbijlen. Ik word kwaad, schrijf het van me af, en vergeet het.
‘Je had ook even kunnen bellen,’ hoor ik vaak na een woordje van kritiek.
Had gekund, maar ik ben schrijver en ik hou er van om mijn vak bij te houden, ik schrijf en ik hou er van om duidelijk te zijn.
Dat moet eigenlijk niet. Kritiek mag, maar dan wel verhuld. Verpakt, met een saus van liefde erover en zonder het noemen van namen.
Bij de namen zit veel pijn. Je mag, eventueel, als je dan zo nodig moet, boos zijn op een misdaadsite, zolang je de naam van de site maar niet noemt.
Je mag je gal spuwen over een weekblad, zolang je de naam Vrij Nederland maar achterwege laat.
Want ‘wees nou verstandig, je komt ze weer een keer tegen en dan pakken ze je’.
We zijn een klein land en het wereldje van de misdaadliteratuur is er een vogelpoepje in. Iedereen komt iedereen tegen, steeds weer. Dan geven we kusjes, links-rechts-links, en dan praten we wat. Met een lach als we goede maatjes zijn, of verkrampt als we eigenlijk iets te verhapstukken hebben. Maar daar praten we liever niet over en we schrijven het zeker niet op.
Wie het wel doet maakt geen vrienden.
Ik zal het sterker vertellen: wie het wel doet is een gefrustreerde auteur die nooit iets heeft gewonnen en die eigenlijk nauwelijks het alfabet kan opzeggen.
Zo, nu weet u ook waarom op bijeenkomsten waar schrijvers, uitgevers en recensenten bij elkaar zijn, zoveel tandengeknars te horen is en zoveel mensen omtrekkende bewegingen maken.
Maar na afloop wel kusjes, links-rechts-links.
Eigenlijk is het wel mooi, al die gezworen vrienden. (dec. 2008)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Tip voor de aankomende schrijver

U wilt schrijven, ontken het maar niet, ik weet dat u het wilt. Bij minstens een op de drie boeken die u leest denkt u: zo kan ik het ook. ’s Avonds in bed, als het licht uit is, weet u het zeker: over een poosje begin ik, als ik tijd heb, echt waar.
Volg nu mijn tip: ga, tot de tijd rijp is, nadenken over vriendschap. Over vriendelijk zijn. Over veel glimlachen. Over mensen gelijk geven, al vertellen ze onzin.
Oefen erop, hoe vaker hoe beter.
U zult de glimlach nodig hebben als uw eerste boek in de winkels ligt.
Mij is het nooit gelukt, vriendelijk kijken, lachen als er niets te lachen valt, instemmend knikken als schoppen op zijn plaats is.
Ik wil nog wel eens boos worden en dat is niet slim.
Een paar voorbeelden.
Er is een website met de naam Ezzulia. Goede website, met veel informatie.
Iemand die voor de site werkte vroeg me om columns. Ik maakte er een paar en zijn dank was groot. Als blijk van waardering stuurde hij een vragenlijst. Als ik de vragen beantwoordde zou hij ze beschouwen als een schriftelijk interview en op het net zetten. Ik deed wat hij vroeg, stuurde alles op en hoorde of zag nooit meer iets.
Dat vond iemand die voor de site werkte iets te gortig. Toen De Charlsville Jackpot uit was (vier sterren op de Ezzuliasite) zei hij: ‘Ik kom naar Enschede voor een echt interview.’ Hij kwam en meldde later dat het een mooi verhaal was geworden. Een half jaar later vroeg ik: ‘Hoe zit het eigenlijk met dat interview’. Hij zei: ‘Staat op de site.’
Toch maar even gekeken. Niks. Ik geef toe: ik ben niet de allerhandigste als het om internet gaat, maar ik kon het interview niet vinden. Mailtje gestuurd. Geen antwoord. Nog een mailtje. Geen antwoord.
Nu behoort mijn tip in werking te treden. Glimlach erom, haal je schouders op.
Mij lukt dat dus niet. Dat ze een interview niet plaatsen, oké. Vrij stom, gezien al het werk, maar oké. Maar ineens geen antwoord meer geven, doen of het neusje bloedt. Ik kan er niet tegen.
Zelfde laken een pak met Vrij Nederland. Of ik een column wilde maken voor de thrillergids. Deed ik. Maand later gids gekocht, gekeken, geen column.
Het stuk was gesneuveld omdat de opmaker bij het indelen van de pagina’s niet goed uit was gekomen. Bij de Z van Zwaan, Peter de had hij gebrek aan ruimte gekregen.
Maar geen woord erover, geen telefoontje, niets. Ik liet de betreffende redactrice weten hoe ik erover dacht en dat had ik niet mogen doen, want schrijvers mogen niet klagen. Een collega vertelde me dat ze niet meer van me hield.
Het jaar erna zat ze in de jury van de Gouden Strop.
Dus, nog een keer: eerst oefenen in de glimlach, daarna pas een boek schrijven. Doe het nou maar, het gaat u een hoop ellende schelen.
Wat u ook moet leren is gezichten onthouden. Daar heb ik het nog wel een keer over. (nov. 2008)

Deze column is ook te lezen op De Spanningsblog (http://spannings.blogspot.com)

 

Iedereen kan schrijven

Iedereen kan schrijven. Iedereen schrijft ook, en soms gaat dat van au, vooral als het schrijvers betreft die niet allemaal dezelfde ervaring hebben.
Een storm in een glas aspirant-schrijvers bloeide op toen een omvangrijk Enschedees project bijna tot een einde was gekomen.
Het project betrof een boek dat de titel ‘Enschede, de mensen, de stad’ kreeg. Voor dat boek moesten stukjes worden geschreven over 250 inwoners, vijftig groepjes van vijf. Iedereen zou op de foto worden gezet door een beroepsfotograaf. Het moest groot worden, en mooi.
Het project werd bedacht door een man met veel enthousiasme en doorzettingsvermogen, maar weinig ervaring. Hij kreeg snel te maken met een probleem: wie moet de stukjes maken. Het liefst schrijvers. Maar Enschede heeft geen vijftig schrijvers, Enschede heeft ook geen twintig schrijvers, ik heb ze niet serieus geteld, maar ik denk niet dat je tot tien schrijvers komt.
Iedereen weet dat schrijvers niet betaald hoeven worden. Schrijvers werken altijd belangeloos aan projecten mee. Om de eer. Om de roem. Om de vijf gratis boeken als het eindelijk zover is.
De paar schrijvers die Enschede telt wilden best een groepje van vijf inwoners beschrijven, ook wel twee of drie groepjes.
Maar geen vijftig.
Dus werden hulpkrachten ingeschakeld, mensen uit de reclamewereld en het onderwijs, een psychotherapeut, een croupier, dichters, een paar journalisten en een beeldend kunstenaar die zich journalist voelde. Veel boeiende personen, maar met een beetje weinig kennis van het maken van boeken.
De resultaten van hun inspanningen waren niet mis. Een van de dichters ging de nalatenschap van Willem Wilmink te lijf met een voortvarendheid die, hoe zal ik dat zeggen, nogal opviel.
In de oud-onderwijzer die zich had bekwaamd in het vervaardigen van grafteksten bleek een poëet te schuilen die niet te temmen was.
Maar het was gratis, niet zeuren, iedereen deed zijn best en helemaal voor niks.
Toen bleek dat het boek 45 euro zou gaan kosten.
Oproer bij een deel van de leveranciers. Dat was niet de bedoeling, zomaar 45 euro vragen voor een boek vol gratis stukjes. Daarvoor hadden ze niet hun best gedaan. Het boek zou mooi worden, ja, en groot, maar dan wel voor een paar euro, zodat iedere inwoner het op zijn bijzettafeltje zou kunnen leggen.
Er werden boze e-mailtjes verstuurd, verwijten gemaakt, traantjes geplengd en een advocaat ingeschakeld. De druiven waren zuur, de rapen gaar, de olifant was niet uit de porseleinkast te schoppen; het was erg vermakelijk en het duurde tot iemand zei: ‘Ho even, een mooi uitgevoerd boek met veel foto’s kost geld, hebben de oproerkraaiers dat niet van tevoren bedacht? Een beetje schrijver weet toch hoe de wereld van het boek in elkaar zit?’
Iedereen kan schrijven, maar de vraag drong zich op: wanneer ben je schrijver.
Het antwoord werd na veel gemail gegeven door de stukjesmaker die elk bericht opsierde met een grappige naamgrap. Hij schreef: ‘Ik voel me schrijver zoals ieder mens schrijver is. Ik word graag schrijver genoemd omdat het mijn hobby is’.
Precies, zo is dat. Word zes jaar, schrijf je naam en je bent schrijver. Maak er een hobby van en je bent Schrijver.
Aan het boek ‘Enschede, de mensen, de stad’ is meegewerkt door 23 mannen en vrouwen.
Hun stukjes zijn afgedrukt, dus ze hebben gepubliceerd, dus ze zijn nu allemaal Schrijver. Wat zeg ik, ze zijn Auteur.
Enschede, de stad met een schrijverslegioen.
Het is een mooi boek geworden. Met meer dan 250 prachtige foto’s.
En met veel afwisseling in de schrijfstijlen.
Heel veel afwisseling. (nov. 2008)


De kelder der letteren

‘In Nederland zijn twee stromingen, je hebt romans en je hebt misdaadromans. In Engelstalige landen doen ze niet aan die gekte. Daar heb je goede boeken en slechte boeken, maakt niet uit hoeveel doden er in vallen.’ Zo ongeveer heb ik het altijd gehoord van collega’s die hun nood klaagden over die malle krantenredacties die steeds twee stapeltjes maken: een voor de recensent van romans, een voor de eerste de beste die wil bijklussen met stukjes over misdaadboeken. Zo heb ik het ook altijd doorverteld op lezingen over schrijverij. Onzin allemaal. Dat krijg je als je tegen elkaar opleutert en na een tijdje gaat geloven wat je zegt.

In Amerika is het niet beter dan hier. Dat werd uitgelegd op een symposium in Brussel dat was georganiseerd door de Diamanten Kogel.Even terzijde voor het geval u een kleine informatieachterstand hebt. In Nederland hebben we de Gouden Strop, een prijs die vorig jaar voor het eerst leidde tot een festiviteit waarvan ik dacht: dat begint ergens op te lijken. In België hebben ze de Diamanten Kogel. Als je ’m wint dan krijg je geen kogel, maar een boksbeugel. Dat is Belgische logica waar ik met liefde aan voorbij ga. Een symposium heet daar colloquium, een woord dat je alleen ongeschonden uit je toetsenbord krijgt als je drie dagen niet hebt gedronken.

Op het laatste symposium van de Diamanten Kogel was de hoofdgast J. Madison Davis uit Oklahoma, schrijver, wetenschapper en nog zoveel meer dat ik u graag verwijs naar zijn mailadres: jmadisondavis@ou.edu. Hij deed er een half uur over, maar toen was ik helemaal overtuigd. In de Verenigde Staten heb je de hoge literatuur en de lage literatuur en als je een schrijver van misdaadromans bent vergeet dan maar dat je ooit bij de hoge literatuur zult behoren. In de pikorde hang je onderaan, of je nou Carl Hiaasen heet, Robert Parker of Lee Child, je bent voorgoed verwezen naar de kelder der letteren. Het was eigenlijk een opluchting: zij dus ook. Allemaal zitten we bij elkaar in de onderwereld van de literatuur, achter in de la van de redacteur geestelijk leven die wel eens wat over moord wil schrijven, rechtsonder op de laatste pagina van het boekenkatern waar de laatste vijftien regels sneuvelen als er nog snel een ingezonden mededeling mee moet.

‘Nou, in Engeland is het in elk geval wel beter, daar tellen alle schrijvers mee.’ Ik hoor het een collega na afloop van het symposium nog zeggen. Ik ben zo vrij enige argwaan te koesteren. Maar ik wil graag zekerheid. Vandaar mijn oproep: is er iemand die weet of Engelse misdaadschrijvers in de hemel horen of in mijn kelder? Wel graag een paar argumenten, van losse kreten heb ik langzamerhand genoeg, daar heb ik er zelf meer dan voldoende van geslaakt. En als u toch bezig bent: wat denkt u, lezen recensenten hun boeken voor ze er een mening over geven?

(geschreven in 2008 voor de site Ezzulia.nl)

 

Jeugdthrillers

Een van de grote treurigheden in boekenland is het verschil dat door meelijwekkende recensenten wordt gemaakt tussen romans en misdaadboeken. ‘Misdaadlectuur’, hoor je wel eens zeggen door lieden die het spoor in het land der letteren zijn kwijtgeraakt. Voor wie zich druk maakt over het verschil heb ik een opwekkende mededeling: als het om jeugdboeken gaat is het nog veel erger. Jaren geleden besloot iemand bij uitgeverij Elzenga, later Leopold, dat het een goed idee zou zijn om een aantal misdaadauteurs te vragen thrillers voor kinderen te schrijven. De boeken zouden worden uitgegeven in de serie ‘Gevaar’.

Om de zaak goed op poten te krijgen werden schrijvers aangezocht die of een Gouden Strop hadden gewonnen, of zoveel hadden geschreven dat ze landelijk toch bekend waren. Om de serie onder de aandacht van recensenten te brengen was voor de presentatie van een stuk of vier delen de enige misdaadschrijver in Nederland gevraagd die recensenten op de been zou kunnen brengen: Appie Baantjer. Waar het door kwam weet ik niet, maar op de dag van de presentatie was Appie er wel, maar waren de recensenten er niet. Hooguit een paar, maar niet voldoende om alle hapjes weg te werken, en als je hongerige scribenten zoekt, nou dan ... laat maar. Waren ze er maar geweest, ze zouden hebben genoten.

Appie Baantjer, toch al niet de kleinste, richtte zich met behulp van een stok tot volle lengte op en keek naar de schrijvers tegenover hem: ikzelf, Tomas Ross, René Appel, er waren er nog een paar, maar die namen ben ik kwijt. Hij keek ons stralend aan en zei: ‘Jongens, jullie schrijven allemaal beter dan ik, veel beter, dat geef ik eerlijk toe, maar ...,’ hij liet een pauze vallen, ‘mijn boeken worden verkocht.’ Na nog een pauze begon hij zo hard te lachen dat ik bang was dat hij dubbel zou klappen. Appie had gelijk. Hij verkoopt zijn boeken. Wij niet. ‘Gevaar!’ werd een succes wat de inhoud betreft, maar: weinig recensies, nauwelijks aandacht in de media, hulpbehoevende verkoopcijfers. Zelf hield ik er een optiecontract aan over van een filmmaatschappij ... die vond dat je het bedrag dat contractueel was vastgelegd niet hoefde te betalen. Ik heb er een keer met Leopold over gebeld. ‘Tja,’ zeiden ze, ‘die dingen gebeuren.’ Waarna ik van niemand meer iets hoorde.

 

Het Boek

Ook erg zijn de mensen die hun manuscript door je willen laten beoordelen. Je zit te werken, je bent zo stom om de telefoon op te pakken en je hoort een stem die je niet kent en een naam die je niet verstaat. Je verstaat niks, want je bent met je hoofd bij het boek waaraan je bezig bent, alleen het woord ‘manuscript, dat blijft hangen. Je hebt een potentiële collega aan de lijn of eigenlijk zijn vrouw, want de collega durft niet. Zijn vrouw begint een verhaal waarvan je weet: het gaat lang duren. Ze vertelt over haar man die al jaren schrijft, al vanaf dat hij klein was, van dat kleine werk waarvan in kleine kring erg werd genoten. Een paar jaar geleden voelde hij zich rijp voor de grote sprong. Een boek. Eigenlijk: Het Boek. Groot boek, dik boek, mooi boek. Heel mooi boek, dat dacht de schrijver zelf en dat vonden zijn vrienden, zijn buren en bovenal zijn moeder. Dat vertelt de vrouw aan de lijn en ze is doof voor je onderdrukte zuchten en ze negeert alle pogingen om aan het gesprek een einde te maken. Want ze heeft een missie. De verkoop van haar man.

Het is een mooie missie en ik heb er altijd waardering voor, maar zelden begrip. Waarom moet ik het werk van een uitgever doen, vraag ik me af terwijl mijn linkeroor warm wordt. Dat vraag ik soms ook: ‘Waarom komt u bij mij?’ Ik weet het antwoord allang. Ze zijn al bij de uitgevers geweest. Bij alle uitgevers, allemaal ongevoelige types die geen oog hebben voor de schoonheid en de kwaliteiten van Het Boek. ‘Daarom kom ik bij u, meneer,’ zegt de mevrouw en haar stem klinkt smekend, overredend, gevuld met liefde voor haar man. Een schat van een mevrouw. Tegen wie ik ‘Nee’ zeg. En die nooit meer een boek van me zal aanraken. Ik hoor het haar zeggen tegen haar man die vanaf de bank het gesprek heeft gevolgd. ‘Die De Zwaan, die is al even erg als alle rotuitgevers in dit hele land.’